Vandaag, maandag 20 september 2021, heeft de rechtbank Den Haag een antwoord gegeven op de vraag of de rechter-commissaris (RC) terecht de status van bedreigde getuige heeft verleend aan twee getuigen in de MH17-strafzaak. De RC had hiertoe beslist op vordering van de officier van justitie. Een van de verdachten had vervolgens hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de RC.

Beoordeling

De rechtbank oordeelt dat de status van bedreigde getuige op juiste gronden is verleend. De RC heeft voldoende gemotiveerd dat sprake is van bedreigingen en dat de getuigen als gevolg daarvan alleen anoniem verklaringen willen afleggen. De RC heeft gekeken naar het dossier, rapporten over de veiligheidssituatie in Oost-Oekraïne en de persoonlijke omstandigheden van de getuigen.

Bij één van de getuigen is de beslissing van de RC niet geheel op de juiste wijze tot stand gekomen. Bij de MH17-strafzaak zijn meerdere RC’s betrokken. De RC die de beslissing over de status van deze getuige heeft genomen, was een andere dan de RC die de advocaten van de verdachte over de vordering tot statusverlening had gehoord. De rechtbank oordeelt dat horen en beslissen door dezelfde RC had moeten worden gedaan, maar verbindt hier verder geen gevolgen aan. De RC die de beslissing heeft genomen heeft kennisgenomen van wat de advocaten hebben aangevoerd tegenover de andere RC, en heeft dit betrokken bij de beslissing.

De beslissing van de rechtbank betekent dat de identiteit van deze twee getuigen verborgen wordt gehouden. Dit is de tweede beslissing over bedreigde getuigen in de MH17-strafzaak. Eerder besliste de rechtbank al dat de RC terecht de status van bedreigde getuige heeft verleend aan twaalf andere getuigen.

Beslissing door andere rechters

De beslissing is genomen door andere rechters dan de rechters die de MH17-strafzaak inhoudelijk behandelen. Dit is een wettelijk voorschrift. De rechters die de zaak inhoudelijk behandelen, beslissen uiteindelijk wat de verklaringen van de bedreigde getuigen betekenen voor de strafzaak.

 

Lees hier de complete uitspraak

ECLI: NL:RBDHA:2021:10229