De rechtbank onderzoekt tijdens de inhoudelijke behandeling of de feiten waarvoor het Openbaar Ministerie de verdachten aanklaagt, ‘wettig en overtuigend’ bewezen zijn. Het gaat onder meer over de volgende vragen.

  • Is de tenlastelegging (aanklacht in de dagvaarding) bewezen?
    Deze vraag beantwoordt de rechtbank aan de hand van de beoordeling van de bewijsmiddelen die in het procesdossier zitten. Voorbeelden van wettige bewijsmiddelen in strafzaken zijn de aangifte, getuigenverklaringen, deskundigenverklaringen en eventueel audiovisueel materiaal. De rechtbank moet op grond van bewijsmiddelen overtuigd zijn dat een verdachte het feit (of de feiten) heeft gepleegd. Is dat niet zo, dan wordt een verdachte vrijgesproken.
  • Is het feit of zijn de feiten strafbaar?
    Als de feiten bewezen zijn, gaat de rechtbank na of deze ook strafbaar zijn. Alle strafbare feiten zijn omschreven in de wet. Het kan ook zijn dat de strafbare gedraging toch niet strafbaar is, omdat er een rechtvaardiging voor bestaat, zoals noodweer.
  • Zijn de verdachten strafbaar?
    Het kan zijn dat de aanklacht bewezen en strafbaar is, maar dat een verdachte toch niet schuldig wordt bevonden, bijvoorbeeld als het plegen van de daad hem – zoals de wet dat noemt – vanwege een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens niet kan worden toegerekend (hij is dan ontoerekeningsvatbaar). 
  • Welke straf of maatregel moet worden opgelegd?
    Als de rechtbank oordeelt dat een verdachte schuldig is, dan wordt een passende straf of maatregel bepaald. Een straf kan alleen opgelegd worden als een verdachte schuldig is aan een strafbaar feit. Een maatregel kan ook opgelegd worden als een verdachte het feit wel heeft gepleegd, maar het hem of haar bijvoorbeeld door ontoerekeningsvatbaarheid niet kan worden aangerekend.

Bij het beantwoorden van deze vragen baseert de rechtbank zich op de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Lees meer over de mogelijkheid om een zitting te bekijken en bij te wonen.